| De eerste pilaar: De geloofsgetuigenis |
|
|
|
|
‘‘Ash hadoe an laa ilaha ilallah, wa ash hadoe anna Mohammadan rasoeloellah’’ Ik getuig dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden behalve Allah, en ik getuig dat Mohammed Zijn boodschapper is
Het eerste gedeelte van de getuigenis – Ik getuig dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden behalve Allah – getuigd van puur monotheïsme. Deze getuigenis dient dan ook begrepen te worden in meest letterlijke zin van het woord. Geen enkele vorm van aanbidding - of het nu gaat om het verrichten van het gebed, het vasten, het verrichten van een smeekbede of het brengen van een offer - mag worden gericht naar iets of iemand anders dan Allah. Allah heeft hier nadrukkelijk en duidelijk over gesproken in de Koran. Enkele voorbeelden hiervan treft u hieronder.
‘‘En voorzeker, Wij stuurden naar elk volk een boodschapper (die zei): Aanbidt Allah en houdt afstand van de afgoden.’’ (Koran: Hoofdstuk 2, vers 21)
‘‘Voorwaar, Ik ben Allah, niets of niemand heeft het recht aanbeden te worden behalve Ik. Aanbid mij daarom en onderhoud het gebed om Mij te gedenken.’’ (Koran: Hoofdstuk 20, vers 14)
‘‘En tot Zijn tekenen behoren de dag en de nacht en de zon en de maan. Kniel dus niet voor de zon en de maan, maar voor Allah, Degene die hen geschapen heeft, indien jullie Hem echt willen aanbidden.’’ (Koran: Hoofdstuk 41, vers 37)
Het tweede gedeelte van de getuigenis – En ik getuig dat Mohammed Zijn boodschapper is – bepaald de status van de profeet Mohammed, vrede en zegeningen zij met hem. Hij is de laatste boodschapper van Allah en hij is gestuurd om de boodschap van Allah te verkondigen en de gehele mensheid hiernaar uit te nodigen.
‘‘Mohammed is niet de vader van één van jullie mannen, maar de boodschapper van Allah en de laatste van de profeten.’’ (Koran: Hoofdstuk 33, vers 40)
‘‘Mohammed is de boodschapper van de Allah…’’ (Koran: Hoofdstuk 48, vers 29)
Het getuigen van zijn profeetschap houdt tegelijkertijd in dat men gelooft in de boodschap waar hij mee gekomen is en dat alles wat de profeet Mohammed, vrede zij met hem, ons geleerd heeft waarheid is en van Allah afkomstig is. Dit is ook wat Allah bevestigt in de Koran.
‘‘En hij (Mohammed) spreekt niet uit begeerte. Het is slechts een Openbaring die aan hem geopenbaard is.’’ (Koran: Hoofdstuk 53, vers 3 en 4)
Het is u vast opgevallen dat deze getuigenis eigenlijk bestaat uit twee getuigenissen. Ook hier zit een reden achter. Het zit namelijk als volgt.
Het eerste gedeelte stelt dat ‘niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah’ en spreekt dus over puur monotheïsme. Het tweede gedeelte van de getuigenis stelt: ‘Mohammed is de boodschapper van Allah’. Hiermee wordt de hoge positie van de profeet Mohammed bevestigd, maar tegelijkertijd wordt hiermee gezegd dat hij de boodschapper van Allah is en dus geen onderdeel van de goddelijkheid en dat men dus zelfs naar Mohammed, vrede zij met hem, geen enkele daad van aanbidding mag richten.
Terwijl deze getuigenis de profeet Mohammed, vrede zij met hem, verheft naar een hoge status wordt er dus ook een plafond geplaatst om de profeet niet te associëren met Allah, dit zou namelijk tegen de leer van monotheïsme indruisen.
|


